Wetgeving

ALGEMENE BEPALINGENCONTROLE-INRICHTING BIJ OPEN AFVOERCONTROLE-INRICHTING BIJ GESLOTEN AFVOERFIGUREN EN TABEL |

BIJLAGE 4.2.5.1. VLAREM II

CONTROLE-INRICHTING VOOR LOZINGEN VAN AFVALWATERS

(art. 4.2.5.1.1. van titel II van het VLAREM)
Gewijzigd bij art. 280 B.Vl.Reg. 19 januari 1999, B.S. 31 maart 1999

A) ALGEMENE BEPALINGEN:

  1. De exploitant kiest in functie van de aard van de wijze van lozen van het afvalwater een controle-inrichting in open of in gesloten afvoer die gebouwd en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk en voldoet aan de in deze bijlage gegeven omschrijving;
  2. De exploitant is verplicht de hele inrichting in zulkdanige staat te plaatsen en te onderhouden dat de bediening door het controlepersoneel steeds in alle veiligheid kan gebeuren;
  3. De hele inrichting, met inbegrip van de monstername-apparatuur, dient vorstvrij opgesteld.


B) CONTROLE-INRICHTING BIJ OPEN AFVOER:

De controle-inrichting omvat in dit geval: een meetgoot, een meetkamer en in geval de meting van het debiet en andere parameters verplicht is gesteld, tevens meet- en monstername-apparatuur. Voormelde onderdelen dienen te beantwoorden aan de hierna vermelde vereisten.

1. Meetgoot:

De exploitant dient in uitvoering van art. 4.2.5.1.1. in functie van het effectieve uurdebiet één van de volgende systemen te installeren:

  • een meetgoot zoals weergegeven in figuur 1 (venturi met parabolische bodem);
  • een meetgoot zoals weergegeven in figuur 2 (venturi met vlakke bodem) met afmetingen zoals aangegeven in tabel 1.
Voormeld systeem moet geplaatst worden op de afvoerleiding, zo dicht mogelijk bij het lozingspunt.
Aan de meetgoot moeten binnen een straal van 5 meter volgende voorzieningen voorhanden zijn:
  • stromend water;
  • 3 tweepolige stopcontacten met aarding voor afname van een electr. voeding van 220 volt wisselstroom (50 Hz), 15 Ampère;
  • een kunstmatige verlichting die een lichtsterkte verzekert van tenminste 200 lux.
Bijlagen titel II van het VLAREM - gecoördineerde versie 5 mei 2008

2. Meetkamer:

In de nabijheid van de in sub 1° bedoelde meetgoot dient een goed geventileerde, gesloten en gemakkelijk betreedbare meetkamer voorzien die:
  1. derwijze is geconstrueerd dat de nodige meet- en monstername-apparatuur erin kan worden opgesteld;
  2. afgrendelbaar is;
  3. is uitgerust met:
  • stromend water;
  • tenminste drie tweepolige stopcontacten met aarding voor afname van een elektrische voeding van 220 volt;
  • wisselstroom (50 Hz), 15 Ampère;
  • een kunstmatige verlichting die een lichtsterkte in de meetkamer verzekert van tenminste 200 lux.
3. Meet- en monstername-apparatuur:

In de in sub 2° bedoelde meetkamer dient de volgende apparatuur vast opgesteld:
  1. een debietmeter:
    • die continu een signaal afgeeft dat kan gebruikt worden voor de sturing van de monstername-apparatuur;
    • waaraan een registratiesysteem is gekoppeld dat naast het ogenblikkelijke debiet eveneens het totaal per uur registreert;
    • en 24-uur periodes totaliseert;
    • waarvan de hoogte-meetelektrode vast is opgesteld in de in sub 1° bedoelde meetput of meetgoot;
    • die een continu signaal 4-20mA analoog met het geloosde debiet afgeeft, voor aansluiting externe controleapparatuur.
  2. monstername-apparatuur:
    • dat toelaat gedurende tenminste vier dagen autonoom mengmonsters van tenminste 6 liter per dag samen te stellen en dit proportioneel met het debiet van het geloosde afvalwater;
    • dat de voormelde mengmonsters automatisch plaatst en bewaart in een gekoelde ruimte (maximumtemperatuur 4° C);
    • die afgrendelbaar is;
    • dat na het beëindigen van de ingestelde monsternamecyclus zichzelf automatisch uitschakelt met uitzondering van het koelsysteem voor de voormelde gekoelde ruimte;
    • waarbij de aanvoerleiding voor het verzamelen van de monsters in de in sub 1° bedoelde meetput of meetgoot vast is opgesteld, op een zodanige wijze dat zelfs bij zeer laag debiet nog voldoende afvalwater kan overgebracht worden naar de monsternemer; de aanvoerleiding mag voorzien worden van een filter, op voorwaarde dat deze filter derwijze is geconstrueerd dat deeltjes met een diameter kleiner of gelijk aan 2 mm niet tegengehouden worden;
    • dat beveiligd is overeenkomstig het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI);
    • dat bestand is tegen langdurige nullozingen.


C) CONTROLE-INRICHTING BIJ GESLOTEN AFVOER:

De controle-inrichting omvat in dit geval: een debietmeetsysteem, een meetkamer en in geval de meting van andere parameters verplicht is gesteld, tevens meet- en monstername-apparatuur. Voormelde onderdelen dienen te beantwoorden aan de hierna vermelde vereisten.

1. Debietmeetsysteem:

  1. Behoudens waar aangetoond wordt dat dit technisch niet mogelijk is, dient een inductieve magnetische debietmeter voorzien die:
    • geijkt is door de fabrikant, leverancier of een milieudeskundige erkend in de discipline water; de meter dient tenminste om de 5 jaar opnieuw geijkt, hetzij door de fabrikant, de leverancier of een milieudeskundige erkend in de discipline water; de desbetreffende ijkingsattesten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar;
    • derwijze in de afvoerleiding is gemonteerd dat deze steeds, afhankelijk van de conceptie ervan, ofwel steeds helemaal gevuld, ofwel steeds helemaal leeg is;
    • gemakkelijk demonteerbaar is met het oog op het onderhoud en de ijking ervan.
    • continu een signaal 4-20 mA analoog met het debiet afgeven voor aansluiting externe meet- en controleapparatuur;
    • voorzien van een kentekenplaatje met de aanduiding van het debiet dat overeenstemt met 20 mA.
  2. Stroomafwaarts de inductieve magnetische debietmeter moet een monster van het afvalwater kunnen genomen worden. In de onmiddellijke omgeving van de inductieve meter, binnen een straal van 5 meter, moeten volgende voorzieningen voorhanden zijn:
    • stromend water;
    • tweepolige stopcontacten met aarding voor afname van een elektrische voeding van 220 volt wisselstroom (50Hz), 15 Ampère;
    • een kunstmatige verlichting die een lichtsterkte verzekert van tenminste 200 lux.
2. Meetkamer:

In de nabijheid van de in sub 1° bedoelde meetgoot dient een goed geventileerde, gesloten en gemakkelijk betreedbare meetkamer voorzien die:
  1. derwijze is geconstrueerd dat de nodige meet- en monsternameapparatuur erin kan worden opgesteld;
  2. afgrendelbaar is;
  3. is uitgerust met:
    • stromend water;
    •  tenminste drie tweepolige stopcontacten met aarding voor afname van een elektrische voeding van 220 volt;
    • wisselstroom (50 Hz), 15 Ampère;
    • een kunstmatige verlichting die een lichtsterkte in de meetkamer verzekert van tenminste 200 lux.
3. Meet- en monstername-apparatuur:

In de in sub 2°; bedoelde meetkamer dient de volgende apparatuur vast opgesteld:
  1. een debietmeter:
    • die continu een signaal afgeeft dat kan gebruikt worden voor de sturing van de monstername-apparatuur;
    • waaraan een registratiesysteem is gekoppeld dat naast het ogenblikkelijk debiet eveneens het totaal per uur registreert en 24-uur periodes totaliseert.
  2. monstername-apparatuur:
    • dat toelaat gedurende tenminste vier dagen autonoom mengmonsters van tenminste 6 liter per dag samen te stellen en dit proportioneel met het debiet van het geloosde afvalwater;
    • dat de voormelde mengmonsters automatisch plaatst en bewaart in een gekoelde ruimte (maximumtemperatuur 4° C);
    • die afgrendelbaar is;
    • dat na het beëindigen van de ingestelde monsternamecyclus zichzelf automatisch uitschakelt met uitzondering van het koelsysteem voor de voormelde gekoelde ruimte;
      Bijlagen titel II van het VLAREM - gecoördineerde versie 5 mei 2008
    • dat beveiligd is overeenkomstig het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI);
    • dat bestand is tegen langdurige nullozingen.


D) FIGUREN EN TABEL:

De figuren en de tabel waarnaar in deze bijlage wordt verwezen, zijn als aanhangsel toegevoegd aan deze bijlage.



bijlage 28/07/2008Figuur 1 meetgoot met parabolisch bodem.pdf (pdf - 27,5 Kb)  
Bijlagen titel II van het VLAREM - gecoördineerde versie 5 mei 2008



bijlage 28/07/2008Figuur 2 meetgoot met vlakke bodem.pdf (pdf - 23,1 Kb)  
Bijlagen titel II van het VLAREM - gecoördineerde versie 5 mei 2008



bijlage 28/07/2008Figuur 3 inbouwplan meetgoot.pdf (pdf - 39,8 Kb)  
Bijlagen titel II van het VLAREM - gecoördineerde versie 5 mei 2008


.